Publication / Strafrecht

De essentie van de verdediging in strafzaken

De essentie van de verdediging in strafzaken

Author:
6-02-2016

Op 17 maart 2015 had ik het voorrecht om één van mijn meest verlangde momenten te mogen realiseren. Ten overstaan van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie had ik voor familie, vrienden en collega’s het privilege om in het kader van mijn beëdiging als advocaat de eed te mogen afleggen. Doordrongen en hartstochtelijk van alles wat de toekomst mij zou onthullen in mijn carrière als advocaat, heb ik de eed afgelegd die letterlijk als volgt luidt:

Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan het Statuut, en de Staatsregeling, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn. Zo waarlijk helpe mij God almachtig’.

Nu bijna een jaar later heb ik mogen ervaren, gelet op de commotie die de verdediging van verdachten in strafzaken teweeg kan brengen, dat er ter zake de afgelegde eed een hardnekkige misverstand bestaat in de maatschappij. Ter ontrafeling van dat misverstand sta ik graag stil bij de betekenis van de hiervoor geciteerde plechtige verklaring die met weinig woorden de essentie van de verdediging in strafzaken illustreert.

Herhaaldelijk ben ik mensen tegen gekomen die aan een halsstarrig misverstand vasthouden dat de een na laatste zinsnede van de eed - ‘dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn’ - met zich zou moeten brengen dat een strafadvocaat verdachten van zeer ernstige misdrijven niet, althans niet met alle werkvermogen en inzet, zou moeten verdedigen. In deze opvatting zou hij ook geen beroep op vormfouten van het Openbaar Ministerie en daaronder werkende instanties behoren te doen, waardoor een verdachte op vrije voeten zou komen. Vaak is dit een confrontatie met mensen die hun ethiek en moraal van hogere waarde beschouwen waarbij de verdediging van verdachten van ernstige misdrijven ontoelaatbaar is en waarbij er geen waarde wordt gehecht aan de in de wet opgenomen onschuldpresumptie, waardoor een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden moet worden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. U kunt zich voorstellen dat ik deze visie niet deel.

Iedere verdachte heeft, ongeacht de aard en ernst van het misdrijf waarvan hij verdacht wordt, overeenkomstig de wet en mensenrechtenverdragen het recht zich door een raadsman te laten bijstaan. Het verlenen van die bijstand dient bezien te worden vanuit het perspectief van het begrip ‘rechtsstaat’. De rechtsstaat kan het best omschreven worden als een juridische expressie van normen en waarden waarover in het beschavingsproces van eeuwen overeenstemming is bereikt als morele grondslag van de samenleving in de relatie tussen de overheid en de burger, zoals de beginselen van vrijheid en rechtsgelijkheid, redelijkheid en billijkheid, zorgvuldigheid en evenredigheid en verantwoording van machtsuitoefening enzovoorts.

Artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten en Fundamentele Vrijheden van de Mens geeft een duidelijke weergave van de rechten van degene waartegen een vervolging is ingesteld. In dat artikel is het recht op rechtsbijstand bepaald. De Hoge Raad acht dit recht van eminent belang, aangezien hij in het licht van de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, zijn eigen regels aanscherpt en oordeelt [ECLI:NL:HR:2015:3608] dat met ingang van 1 maart 2016 het recht op rechtsbijstand ook tijdens het politieverhoor bestaat, behoudens dwingende redenen om dat recht te beperken. Dientengevolge strekt het recht op rechtsbijstand waarachtig verder dan voorheen.

Dit recht dient door de strafadvocaat met volle kracht te worden geëxecuteerd. Als strafadvocaat beschouw ik de uitputting van alle middelen en mogelijkheden die ik in de uitoefening van mijn vak kan doen gelden zelfs als een plicht. Derhalve beschouw ik het nalaten van een beroep op een vormfout door een strafadvocaat als een handeling die een gevaar oplevert voor de rechtsstaat. Onder vormfouten vallen niet alleen de per ongeluk gemaakte kleine vergissingen, maar ook ernstige verzuimen in het naleven van voorschriften die door de wetgever van wezenlijk belang voor een eerlijk proces worden geacht. Daarenboven bestaat er tevens die groep gevallen waarin sprake is van nonchalance alsook  opzettelijk – achteraf als onjuist aangemerkt – politie optreden. Dit zijn allemaal andere dan kleine misslagen die door de rechter al sinds jaar en dag gewoon worden hersteld. Op het moment dat een strafadvocaat nalaat tegen net genoemde grove verzuimen in het naleven van voorschriften door het Openbaar Ministerie te opponeren, neemt de rechter aan dat de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad, waardoor het recht op rechtsbijstaand niet de betekenis vervult die het dient te garanderen.

Een advocaat die bewust verzuimt op dit soort fouten te wijzen, is dan ook een gevaar voor de rechtsstaat, omdat hij daarmee de kans op de koop toe neemt dat de rechter, een vanuit rechtsstatelijk oogpunt bezien, onvergeeflijk fout maakt. Daarom is het goed om de rechtsstaat optimaal te bewaken. Wij als strafadvocaten zijn, gelet op het voorgaande, bij uitstek de waakhonden van de rechtsstaat.