Publication / Strafrecht

Advocaten horen, zien en zwijgen?

Advocaten horen, zien en zwijgen?

Author:
5-11-2016

In de afgelopen tijd heb ik, uiteraard met veel plezier en animo voor cliënten, hetgeen wat van een (straf)advocaat wordt verwacht binnen en buiten de rechtszaal uitgevoerd en het is voor mij duidelijk dat als advocaat men bereid moet zijn, zelfs voor hetgeen men niet heeft voorbereid. Naast mijn dagelijkse werkzaamheden als advocaat, ben ik ook in de gelegenheid gesteld om maandelijks een door mij uitgekozen thema tijdens een televisie programma te presenteren. Als advocaat dien je zoveel mogelijk te anticiperen op vragen die mogelijkerwijs gesteld zouden kunnen worden door het publiek. Doch tijdens een live uitzending van een interview aangaande de geheimhoudingsplicht van de advocaat, werd ik geconfronteerd met een vraag waarop ik als (straf)advocaat niet stond te wachten. Aan mij werd de vraag gesteld:

Rekening houdend met uw geheimhoudingsplicht, wat zou u als advocaat doen op het moment dat een potentiele klant zich tot u richt met het voornemen tot moord?’

Nou, daar zat ik dan, live, strak in pak! Gelukkig was het interview niet buiten in de avonduren gehouden, want anders zou de sprinkhanenzang naar alle waarschijnlijkheid heel duidelijk zijn te horen door de stilte die er op dat moment viel. Het was de eerste keer dat ik tijdens een interview een vraag gesteld kreeg waarop ik niet voorbereid was en ik op dat moment niet wist wat ik als antwoord moest geven. Van mijn patroon heb ik geleerd dat in zulke soort gevallen het beter is om eerlijk aan te geven dat je even erover moet nadenken en er op terug zal komen. En dat heb ik ook gedaan. Ondanks de ongemakkelijke situatie op dat moment, leek mij het een zeer interessant vraagstuk en dientengevolge ga ik hierna aandacht besteden aan de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht van de advocaat bij de wetenschap van het voornemen tot moord.

De advocaat is op grond van de voor hem geldende gedragsregels gehouden tot geheimhouding omtrent alle informatie die hij van en aangaande zijn cliënten verkrijgt. Een ieder die rechtsbijstand nodig heeft, moet erop kunnen vertrouwen dat alles wat hij ter kennis geeft aan zijn advocaat geheim blijft en dat de advocaat zich ervan zal weerhouden om de verkregen informatie niet ter kennis van de rechter te brengen. Op grond van het verschoningsrecht, die grenzen stelt aan de reikwijdte van de strafrechtelijke waarheidsvinding door de advocaat het recht te geven om geen antwoord te geven op bepaalde vragen van de rechter, dient de advocaat zijn geheimhoudingplicht zelfs jegens justitiële autoriteiten te bewaren.

De geheimhoudingsplicht van de advocaat strekt in bepaalde gevallen verder dan de informatie die door een cliënt aan de advocaat wordt verstrekt. Het feit dat iemand cliënt is van een (straf)advocaat, is op zich al een gegeven dat zich leent voor geheimhouding, aangezien de buitenwereld deze informatie wel eens in het nadeel van de cliënt kan interpreteren. Derhalve mag de (straf)advocaat in principe geen informatie ontsluieren dat een zekere persoon hem om rechtskundige bijstand heeft verzocht, noch waar die persoon zich bevindt of wat de extensie is van diens belang. Aldus, naar mijn weten, ondanks dat geen rechter of officier van justitie enige bewijskracht heeft toegekend aan het feit dat iemand rechtsbijstand van een strafadvocaat heeft gezocht, leent deze informatie zich al voor de geheimhoudingsplicht.

Gelet op het voorgaande wordt er meer accent gelegd op de verplichting tot geheimhouding, aangezien het beroep van de advocaat slechts op basis van vertrouwen het beste tot zijn recht komt. Een goede uitoefening van het beroep dient als een algemeen belang van hoge orde te worden gezien en bewerkstelligt dat burgers zonder vrees naar de advocaat kunnen stappen. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 1 maart 1986 geoordeeld dat een algemeen rechtsbeginsel met zich meebrengt dat bij zulke vertrouwenspersonen als advocaten het maatschappelijk belang, dat de waarheid aan het daglicht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene, om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.

Op basis van het voorgaande lijkt het volstrekt duidelijk te zijn dat de geheimhoudingsplicht van de advocaat een absoluut recht is. Maar de vraag is, wat moet de advocaat doen op het moment dat hem in zijn bediening het voornemen tot moord wordt toevertrouwd. In dergelijk geval staat de geheimhoudingsplicht van de advocaat tegenover de aangifteplicht van art. 198 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, waarin staat opgenomen dat ieder die kennis draagt van de in dat artikel genoemde misdrijven, dan wel het voornemen tot één van die misdrijven, verplicht is aangifte te doen daarvan bij een opsporingsambtenaar.

Naar mijn mening en rekening houdend met het feit dat de Hoge Raad het secret absolu heeft afgewezen, gaat het in dit geval om een zeer persoonlijke afweging betreffende de behoorlijkheid van praktijkvoering, waarbij van mij als advocaat verlangd wordt dat ik uit oogpunt van een behoorlijke beroepsexecutie mezelf laat leiden door datgene wat uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit onder de omstandigheden in kwestie het minst kwade lijkt.

Een strafadvocaat dient in beginsel al zijn invloed uit te oefenen op zijn cliënt om de voorgenomen moord tegen te houden. In het geval dat niet lukt of hij aan het succes van zijn poging twijfelt, mag hij het bekend maken bij de Deken van de Orde van Advocaten Curaçao. Hierbij moet zoveel mogelijk worden getracht om de identiteit van de informatieverschaffer geheim te houden. Dit vanwege het feit dat als de informatie afkomstig is van een cliënt, het bekend maken daarvan in zijn strafzaak in zijn nadeel kan worden uitgelegd. De advocaat dient zich te onthouden van alle handelingen die de procespositie van zijn cliënt verzwakken.

De reikwijdte van de geheimhoudingsplicht van de advocaat, dient naar mijn zienswijze, op zodanige wijze te worden uitgelegd dat vanuit het maatschappelijk belang een ieder zich vrijelijk en zonder openbaarmaking van het betrokkene tot een advocaat moet kunnen wenden. Hiermee wordt vermeden dat iemand hulp van de advocaat achterwege laat, omdat hij bang is dat dit bekend kan worden. Het komt erop neer dat wij als advocaten, en vooral gedurende de bediening in strafzaken, garant zijn van de rechtstaat. Onze tussenkomst als advocaten staat er immers mede garant voor dat uw belangen als cliënt vakkundig gesteld worden tegenover de belangen van de vervolgende overheid opdat de rechter een volwaardige beslissing kan nemen. Doen wij dat niet, dan geven wij het beroepsgeheim een volledig illusoir karakter.

Kort samengevat kom ik tot de conclusie dat de geheimhoudingsplicht absoluut is, tenzij er een mensenleven in het geding is. In dit laatste prevaleert het leven boven het geheim. Daarbij geldt wel dat indien het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren, de inbreuk op de geheimhoudingsplicht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is.